"Dat ik dat kan zeg!"

Een scriptie over het benadrukken van talenten
van psychiatrische patiënten in beeldende therapie.

Monique Samsen

Hoofdstuk 1:

Inleiding

1.1 Achtergrond

In het kader van mijn opleiding aan de Creatieve Therapie Opleidingen van de HAN te Nijmegen heb ik van september 1998 tot en met december 1999 stage gelopen als creatief therapeut beeldend. Mijn stageplek was op de PAAZ van de Isala Klinieken, locatie Sophia, te Zwolle. Op deze afdeling worden volwassen mensen, die een break uit de huidige leefsituatie nodig hebben, opgenomen. Op de PAAZ worden de patiënten geobserveerd en gediagnosticeerd en wordt er begonnen met een eerste aanzet tot behandeling. Creatieve therapie beeldend werd hierom (onder andere) vaak geïndiceerd.

Op een PAAZ kunnen patiënten gemiddeld drie maanden opgenomen worden.

In 1998 lag dat gemiddelde op de PAAZ van het Sophia Ziekenhuis op 22 dagen. Dat psychiatrische patiënten zo kort werden (en worden)opgenomen ligt geheel in de huidige trend van de psychiatrie in Nederland, namelijk dat de opnameduur zo kort en effectief mogelijk moet zijn. Deze trend kent verschillende oorzaken, waar ik niet op in zal gaan.

Een positief gevolg van deze trend is dat patiënten meestal snel weer thuis zijn van de, vaak als traumatisch ervaren, opname. Eenmaal thuis kan de behandeling poliklinisch worden voortgezet. Een nadeel van deze trend is dat de opname vaak te snel wordt afgerond waardoor mensen na verloop van tijd met dezelfde problemen heropgenomen moeten worden; het zogenaamde 'draaideureffect'.

Tijdens mijn stage merkte ik dat er op de PAAZ vooral symptoomgericht werd behandeld. Er werd uitgegaan van negatieve of positieve symptomen en een doelstelling. Heel vaak kwam het voor dat de doelstelling van de opname inhield dat de symptomen verdwenen waren.

Het klinkt heel logisch: iemand wordt met een klacht opgenomen en het doel hiervan is het bestrijden van die klacht. Maar wat ik tijdens mijn stage vaak hoorde was: "Het lukt niet, ik kan het niet, ik wil niet meer!". Veel energie steken in iets wat op dat moment met moeite gaat, maar wel moet lukken om 'beter' te worden, maakte de patiënten moe. Daarna ontbrak het de patiënten aan kracht om na tegenslagen weer door te gaan.

Op een bepaald moment merkte ik in de therapieën uit het werk wat iemand maakte dingen op die juist wel goed gingen en positief waren, wanneer ik daar aandacht aan besteedde, keek diegene me meestal verbaasd aan.

Zelf was hij deze positieve eigenschappen of talenten vergeten of heeft hij ze nooit ontdekt, omdat hij teveel bezig was met zaken die niet goed gingen.

Wanneer ik samen met de patiënt een aantal keren op zoek was gegaan naar zijn talenten, merkte ik dat hij meer zelfvertrouwen kreeg en daar juist kracht uit kon putten om zijn klachten onder ogen te komen en tegen te gaan, zodat ontslag eerder in zicht kwam.

Wanneer een patiënt dan met ontslag gaat, heeft hij weet van zijn talent(en) om op terug te vallen wanneer de klachten terug zouden komen en is een heropname minder snel noodzakelijk.

 

1.2 Stelling

In het bovenstaande komt naar voren dat ik een bepaalde werkwijze voordelig vind, zowel voor patiënt als voor de psychiatrie in het algemeen. Ik neem hier een stelling in die ik hieronder in het kort formuleer:

" Niet symptoomgericht werken in beeldende therapie bij volwassen psychiatrische patiënten, leidt tot het ontdekken van eigen talenten.
Deze talenten kunnen worden ingezet om tot een oplossing voor de klacht te komen."

In mijn scriptie wil ik proberen die stelling te handhaven aan de hand van literatuuronderzoek en eigen praktijkervaring.

 

1.3 Visie op mens, kunst en creatieve therapie

De werkwijze, waar ik nog uitgebreid op terugkom, en de daaruit voortkomende stelling hebben hun wortels in mijn visie op de mens, op de kunst en creatieve therapie.

1.3.1 Mensvisie

De mens is in mijn ogen een individu die anderen nodig heeft. Hij zoekt overeenkomsten om zich 'mens' te voelen en verschillen om zich een 'uniek mens' te voelen. Volgens Simhoffer [8] heeft een identiteit op zijn minst twee kanten: dat wat ik individueel ben en dat waardoor ik verbonden ben en me verbonden voel met de anderen en de mij omringende wereld. Cohn [4] zegt dat de mens een psychobiologische eenheid is, maar ook een deel van het universum. Daarom is hij autonoom en interdependent. Vrij beslissen geschiedt binnen bepaalde grenzen die in mij en buiten mij liggen.

Verruiming van die grenzen is mogelijk. De mens is dus zelfstandig binnen grenzen die hij, zijn omgeving en anderen hebben bepaald. Hij kan de grenzen exploreren, zich ervan bewust worden, zijn eigen aandeel erin onderzoeken, zich afvragen wat hij ermee wil.

De wijze waarop de mens zich vrij beweegt binnen die grenzen, ze eventueel aanpast, ze naar zijn eigen wensen zet om het leven aangenaam te maken, te leven zoals hij dat wil, noem ik talenten.

Iedereen is geboren met een talent of talenten. Bij talent kan je denken aan perfect kunnen pianospelen of moeilijke wiskundige opgaven op kunnen lossen, maar je kan het ook veel dichterbij halen: vriendelijk voor anderen kunnen zijn, de was kunnen doen zonder dat er wasgoed verkleurt, goed kunnen autorijden, je duidelijk kunnen uiten naar anderen toe, etc. etc.

Dat talent is een krachtig instrument, dat je kan inzetten om tot bepaalde resultaten te komen. Het kan je zelfvertrouwen en kracht geven. Het talent scheidt de mens van anderen en maakt hem de moeite waard.

Ik ben van mening dat talent of die talenten altijd aanwezig zijn, in ziekte net als in gezondheid. Soms is zo'n talent niet helemaal duidelijk, wordt het nog niet ten volle benut.

1.3.2 Kunstvisie

Kunst helpt de mens zicht te krijgen op zichzelf en de hem omringende werkelijkheid. Hij kan er, op een afstandje, naar kijken. In kunst komt het innerlijke van de mens naar buiten. Dus ook zijn talenten, zijn mogelijkheden. Dit kan heel letterlijk, wanneer iemand de dingen waarin hij goed is uitbeeld. Ook kan in kunst duidelijk worden hoe iemand met keuzes, met moeilijkheden omgaat die hij tijdens het werken aan een kunstwerk tegenkomt. De abstractheid van de mens wordt concreet in kunst. Het wordt voelbaar, je kan het aanraken. Het staat zwart op wit, het valt bijna niet te ontkennen. Om met de schilder Paul Klee te spreken: " Kunst geeft niet het zichtbare weer, kunst maakt zichtbaar".

1.3.3 Visie op creatieve therapie

De patiënt is zelfstandig in creatieve therapie en bepaalt eigenlijk wat er in de therapie gebeurt. De therapeut helpt 'slechts' de patiënt zijn kunstwerk te vertalen, dat eruit te halen wat belangrijk is voor de patiënt. Maar ook benadrukken, vanuit mijn objectieve positie, waar de kracht van de patiënt ligt, in het beeld en in zichzelf. Söhne [9] : " de achtergrondgedachte blijft op zoek gaan naar universele esthetische uitingsmogelijkheden. Dat wat ik als esthetiek zie, zie ik als de sterke kant van de cliënt. Wat niet esthetisch is, blijkt vaak te koppelen aan de problematiek ". In creatieve therapie kan een talent in kunst opeens zichtbaar worden en kan je het, met behulp van de therapeut, leren gebruiken om er trotser, zelfbewuster en unieker van te worden.

 

Hoofdstuk 2:

Theorieën en methoden

2.1 Inleiding

In de literatuur van de psychologie en psychiatrie zijn niet veel theorieën te vinden over het benadrukken van juist gezonde eigenschappen bij volwassen psychiatrische patiënten.

In de meeste literatuur wordt veel aandacht besteedt aan het werken aan klachten en problemen van patiënten. Er wordt heel specifiek gekeken naar de klacht en wat daar aan te doen. De behandeling wordt meestal geleid door de therapeut en oplossingen voor de klacht worden door hem aangedragen. De therapie overkomt de patiënt. Dit kan natuurlijk erg prettig zijn voor de patiënt. Hij kan achterover gaan zitten, hij hoeft niets te bedenken, hij kan passief blijven. De therapeut creëert voor hem een structuur die voor de patiënt na ontslag verdwijnt, omdat hij die structuur niet zelf heeft opgebouwd. Meestal blijkt dan dat de patiënt zich nog steeds niet in het maatschappelijk leven kan handhaven en problemen weer de overhand krijgen. Heropname is dan de volgende stap.

Appelo [1] noemt dit het 'ziektemodel'. De arts is in dit model een autoriteit, de patiënt de afhankelijke van de arts. Appelo zegt in zijn boek: "behandeld worden vanuit het ziektemodel betekent dat direct of indirect het idee 'zelf geen controle over de klachten te hebben' in stand wordt gehouden of wordt versterkt. Wanneer de ander met relatief gemak de klacht kan oplossen, weegt het nadeel van afhankelijkheid niet op tegen het voordeel geholpen te worden." [1]

Gelukkig vindt er in de psychiatrie een verschuiving plaats. De patiënt krijgt meer verantwoordelijkheid toegeschreven en 'de patiënt moet het zelf doen' komt in meer en meer methoden naar voren.

Toch zijn er theorieën en daaruit voortkomende methoden die meer aansluiten bij mijn denk- en werkwijze. Appelo noemt die methoden passend in het 'handicapmodel', dat gericht is op het vergroten van de gezondheid en niet op het verkleinen van de ziekte. Wel kan het zijn dat door het vergroten van die gezondheid, de ziekte afneemt.

In dit hoofdstuk licht de methoden die ik vond kort toe.

 

2.2 Solution Focused Therapy

Solution Focused Therapy (vanaf nu afgekort met SFT) is een oplossingsgerichte psychotherapie die zich alleen met gewenst gedrag bezighoudt. De socioloog Steve de Shazer [7] kwam in de jaren zeventig en tachtig, na experimenten met de theorieën van Erickson, tot de bevinding dat analyse van het probleem onbelangrijk is voor een succesvolle therapie. Vanwege een, naar later bleek, belangrijk incident, veranderde de Shazer zijn methode van probleemgericht naar oplossingsgericht.

SFT heeft een aantal uitgangspunten. Het meest belangrijke uitgangspunt is waarschijnlijk dat problemen of klachten juist in stand worden gehouden door er tegen te vechten. Met oplossing wordt dan ook niet de oplossing van de klacht verstaan, maar de oplossing voor het omgaan met die klacht.

SFT gaat ervan uit dat de therapie helpt patiënten iets anders te doen door interactief gedrag en /of de interpretatie van dat gedrag in een 'probleemsituatie'(door de patiënt zo betiteld) te veranderen. Je kan een klacht van meerdere kanten bekijken en op verschillende manieren interpreteren. Zo kan iets dat als klacht gelabeld is, door een andere interpretatie opeens als normaal betiteld worden. Alle energie wordt in SFT gestoken in het vinden en vergroten van de sterke kanten van de patiënt.

Mensen verwachten dat het probleem er altijd zal zijn, omdat het er altijd al was of al heel lang is. In SFT wordt er gekeken naar situaties uit een tijd toen het probleem er nog niet was. Dit kan patiënten een verwachting geven dat verandering heel goed mogelijk is.

SFT hoeft in het algemeen niet lang te duren. De therapeut luistert naar de klacht en vraagt de patiënt wat hij wil bereiken. De doelstelling moet positief geformuleerd worden. 'Minder angstig' en 'minder gespannen' zijn negatieve formuleringen, 'meer zelfvertrouwen' en 'meer ontspannen' zijn positieve formuleringen. Dan vraagt de therapeut aan de patiënt hoe zijn leven er uit zou zien wanneer de klacht weg zou zijn. Hoe zou hij het kunnen herkennen wanneer de klacht weg is? Het antwoord wordt vervolgens goed uitgewerkt, zodat de patiënt zijn eigen oplossing concreet maakt, tot leven laat komen.

De volgende vraag is of de patiënt zich situaties kan herinneren waarop die positieve doelen voorkwamen bij hemzelf. Weer wordt het antwoord goed uitgewerkt, er wordt gekeken welke talenten, bronnen de patiënt gebruikte om die situaties positief tegemoet te komen.

De patiënt krijgt vervolgens de opdracht mee om zelf te gaan oefenen met de oplossingen en ze bewuster te gaan hanteren.

Deze vorm van therapie lijkt op cognitieve gedragstherapie, maar er zijn belangrijke verschillen: de klacht wordt niet ontleed, sterker nog, er wordt nauwelijks tot geen aandacht aan het probleem of de ontstaansgeschiedenis besteedt. Daarnaast wordt er in tegenstelling tot gedragstherapie niet geoefend met probleemsituaties, maar juist met klachtvrije situaties.

Ook een belangrijk verschil is dat de cognitieve gedragstherapeut ervan uitgaat dat de oorzaak van het probleem van de patiënt ligt in zijn negatieve of irrationele gedachten. Bij SFT wordt voorbij gegaan aan de oorzaak van het probleem en wordt juist de oplossing bij de patiënt gezocht.

Uit onderzoeken (de Shazer;1991, De Jong & Berg;1998) [7] blijkt dat 74 tot 80% van de onderzochte gevallen met gemiddeld 2,9 tot 4,6 sessies succes heeft geboekt. Na 7 tot 18 maanden bleek dit te zijn opgelopen tot 77 à 86%.

Als redenen waarom SFT zo effectief en succesvol is, draagt het NIKTO meerdere factoren aan: de therapeut sluit zich nauw aan bij de motivatie van de patiënt, wat de belangrijkste voorspeller van therapiesucces is. Ten tweede biedt de methode SFT veel structuur, alle interventies hebben namelijk de oplossing van de patiënt als oriëntatiepunt. Hierdoor wordt hij ertoe aangezet elk talent wat hij heeft in gang te zetten en belang toe te kennen aan de kleinst mogelijke verandering in zijn situatie. Verder maken de gestelde

vragen voortdurend de patronen van sociale bekrachtiging van nieuw gedrag zichtbaar en krijgt nieuw gedrag een belonende context door te vragen naar reacties van anderen, zodat dat gedrag een maximale overlevingskans krijgt in de omgeving van de patiënt.

Ten slot spelen de belangrijke factoren als het geven van hoop en het versterken van het gevoel dat de patiënt zelf controle en competentie heeft, een grote rol.

Daarnaast komen natuurlijk de voor deze methode zo belangrijke factoren het focussen op al aanwezig kwaliteiten en talenten bij de patiënt en het steeds vragen door de therapeut naar al behaalde successen, welke het zelfvertrouwen van de patiënt om een eigen en voor hem zinvol leven te leiden, versterken.

 

2.3 Rationele Rehabilitatie

Rationele Rehabilitatie is ontwikkeld door dr. M. T. Appelo.

Dr. Martin T. Appelo is gezondheidspsycholoog, behandelaar en onderzoeker bij de Stichting GGZ Groningen en is voorzitter van het RinG. Daarnaast is hij universitair docent bij de afdeling Klinische Psychologie van de Rijksuniversiteit Groningen.

Rationele Rehabilitatie [1] (vanaf nu afgekort tot RR) betekent letterlijk het eerherstel van het gezonde verstand en is geschikt voor mensen met chronische klachten. De methode heeft zijn wortels in de oplossingsgerichte psychotherapie.

Het belangrijkste uitgangspunt bij RR is dat ieder mens sterke en zwakke kanten heeft, hij heeft eigenschappen die hem helpen een doel te bereiken en eigenschappen die het tegenovergestelde bewerkstelligen. Appelo noemt de sterke kanten de parel en de zwakke kanten het zwijn. Zoals hiervoor al genoemd, spreekt Appelo over het 'ziektemodel' en het 'handicapmodel' [1]. RR concentreert zich op de parel, de goede kanten van de mens en is dus een handicapmodel. De handicap in dit model is de klacht die met rust gelaten wordt. Dit betekent niet dat de klacht genegeerd wordt, maar het wordt geaccepteerd en krijgt een plaats in iemands leven. Het doel van RR is om de klacht uit de aandacht te krijgen, zodat alle energie gestoken kan worden in het positief bekrachtigen van gezonde eigenschappen.

Die gezonde eigenschappen zijn een innerlijke krachtbron die meestal grotendeels onbekend is, omdat de patiënt gewend is zich te richten op de negatieve zieke eigenschappen. Oplossingen voor die zieke eigenschappen is hij geneigd te zoeken bij anderen. Appelo: "Het onthullen en activeren van de krachtbron zal bijdragen aan gezondheid en daarmee de klachten naar de achtergrond doen verdwijnen".

De verhulde krachtbron is een functionele of doelgerichte denkstijl die egocentrisch is en waardoor iemand zichzelf positief beoordeelt. Het activeren van die denkstijl betekent dat iemand anders moet gaan denken en daardoor zich ook anders zal gaan voelen en handelen. De eerste fase in RR is het identificeren en formuleren van die functionele denkstijl d.m.v. het nadenken over situaties uit heden en verleden waarin de patiënt zich tevreden voelde, ook wel topsituaties genoemd. In die topsituaties wordt er gekeken naar hoe iemand zichzelf beoordeelt. Een zelfevaluatie moet positief worden geformuleerd. Alle positieve zelfevaluaties worden vervolgens samengevat tot de functionele denkstijl.

De functionele denkstijl wordt daarna getest aan de hand van alledaagse probleemsituaties (bv. iemand dringt voor in de winkel) met als doel om te controleren of de denkstijl geactiveerd kan worden. Aan het eind van deze fase kan de patiënt vrij gemakkelijk vanuit de functionele denkstijl reageren.

In fase twee wordt de absolute topsituatie uit het verleden van de patiënt gezocht en gedetailleerd onderzocht. Deze situatie wordt dan een symbool voor het zelfvertrouwen van de patiënt. De functionele denkstijl moet goed bij deze topsituatie passen. Vervolgens wordt er een week lang met de absolute topsituatie geoefend. Er wordt bewust gekeken naar wat er goed is gegaan die week, daarbij zijn niet alleen grote zaken belangrijk, maar ook gewone alledaagse zaken. Er wordt een begin gemaakt met het switchen van ziek naar gezond.

In fase drie worden de absolute topsituatie en de functionele denkstijl gekoppeld aan een object, een soort talisman. Vaak is dit een klein houten balletje of een steentje. Ook kan de patiënt zelf een object aandragen. Het object wordt vastgepakt zodra het gewenste positieve gevoel aanwezig is tijdens het denken aan de topsituatie. Deze fase vereist discipline, tijd en oefening. Appelo noemt het 'mentale fitnesstraining'.

Fase vier staat in het teken van probleemsituaties. Er wordt een overzicht gemaakt van alle situaties, klachten en problemen waar iemand beter mee om wil gaan. Elk item krijgt een score tussen de 0 en 100. De klacht met de laagste score komt onder aan de lijst. Waneer de patiënt een klacht heeft die hij niet op de lijst wil zetten, omdat hij er (nog) niet mee bezig wil zijn (dit komt vaak voor bij mensen die een trauma hebben meegemaakt), dan gebeurt dit ook niet. De klacht ligt dan buiten de grens van het gebied waarin de innerlijke krachtbron, de functionele denkstijl werkzaam is. Hierna volgt het desensitisatieproces Er wordt begonnen met het onderste item op de lijst. Zodra het item een dragelijke acceptabele hoeveelheid stress oplevert, wordt er overgegaan naar het volgende item op de lijst. De desensitisatie wordt gecontroleerd door het opzoeken van de probleemsituatie. Wanneer de reactie gewenst is dan is het desensitiseren klaar.

Fase vijf is de eindfase. Deze fase gaat in wanneer alle items op de lijst gedesensitiseerd. Probleemsituaties worden nu benaderd met de nieuwe functionele denkstijl. Omdat oude gewoontes terug kunnen blijven komen, wordt het aangeraden te blijven oefenen met de nieuwe denkstijl en in het kort alle fasen nog eens door te lopen. Appelo: "De conditie van het gezonde verstand is aan het eind van het desensitiseren in ere hersteld, maar moet op peil worden gehouden door regelmatige training".

Uit de pilotstudy die Appelo heeft gehouden over RR [2] bleek dat in het algemeen de patiënten (17 in totaal) het een verademing vonden om eens niet over hun problemen te hoeven praten. Toch vond Appelo het drop-out percentage hoog (29%). De meest opvallende reden hiervoor was het na verloop van tijd toch te willen doorgaan met een probleem- of symptoomgerichte benadering. Het laten rusten van de klacht en het exclusief gaan richten op het gezonde deel bleek dus een struikelblok te zijn. Een andere reden was dat sommige patiënten het niet wilden of moeilijk vonden om de noodzakelijke oefeningen uit te voeren.

Uit de pilotstudy bleek dat de patiënten die de therapie wel helemaal hadden afgerond een positiever zelfbeeld en meer zelfvertrouwen hadden, zich minder piekerend en somber terugtrokken en met minder angst sociale interacties aangingen.

 

2.4 Majeutische of Socratische methode

Bovenstaande methoden zijn direct of indirect terug te leiden tot de Socratische methode. De Socratische methode wordt ook wel majeutische methode genoemd. In een boek van Plato wordt Socrates gevraagd hoe het komt dat mensen altijd een antwoord hebben op zijn vragen. Als antwoord vergelijkt Socrates zichzelf met zijn moeder die vroedvrouw was. Hij vertelt dat hij de majeutiek (= verloskunde) ook beoefende, omdat hij met vragen het antwoord dat in iemand vastzit onthult en /of bevrijdt. Appelo: "Socrates helpt de hulpvrager bij het naar binnen richten van de blik. De illusies van schijnwereld worden zo omzeild en iemand komt oog in oog te staan met het volmaakte basisidee dat in hem aanwezig is." [1]

 

2.5 Client-centered therapy

Client-centered therapy of Rogeriaanse therapie is ontwikkeld door Carl Rogers. Inmiddels is de stroming verschillende richtingen in gegaan.

Ik zal kort ingaan op de stroming die het dichtst bij Rogers is gebleven; de ‘orthodoxe stroming’ [11]. De methode heet client-centered (cliëntgecentreerd), omdat Rogers de nadruk wou leggen op het feit dat een individu centraal staat in een zich ontwikkelende wereld. Niet het probleem staat centraal in de therapie, maar de patiënt zelf en de mogelijkheid om vanuit zichzelf te kunnen groeien. De therapeut laat de patiënt vrij om over zichzelf te beslissen en laat hem daarover verantwoordelijk zijn.

De therapeuten die deze stroming aanhangen, gaan er vanuit dat er drie grondhoudingen zijn die essentieel zijn, die de therapeut een warme menselijke opstelling geven. Ze zijn van mening dat die opstelling het meest bijdraagt tot persoonlijkheidsverandering van de patiënt. De drie grondhoudingen zijn: aanvaarding, empathie en echtheid. Dit houdt in dat de therapeut zich in hoge mate instelt op de belevingswereld van de patiënt, maar dat hij zich daarbij ook op een open en directe manier persoonlijk betrokken opstelt en reële gevoelens niet verbergt. Een moedige therapeut zal ook zijn negatieve gevoelens t.a.v. de patiënt met hem delen, daarbij duidelijk makend dat het zijn gevoelens zijn en niet die van de patiënt. De therapeut interpreteert niet teveel, hij probeert niet 'dieper' te zijn dan de patiënt, hij volgt hem op de voet en helpt hem door moeilijke ontdekkingen en onbekende gebieden heen. De therapeut trekt vaak bij de patiënt na of hij hem wel juist aanvoelt. Hij aanvaart alles van de patiënt en laat hem daarmee in zijn waarde als persoon. Deze benadering wordt ook wel non-directief genoemd; de therapeut leidt niet, maar volgt de patiënt [5].

Door het positieve aanvaarden van de therapeut, gaat de patiënt zichzelf ook meer accepteren. Voorzichtig durft hij zijn eigen vrijheid aan en leert hij zijn verantwoordelijkheid in het oplossen van eigen problemen te aanvaarden. Gedurende de therapie leert de patiënt zichzelf beter kennen en krijgt hierdoor meer zelfvertrouwen.

Rogers [6] bemerkte een opmerkelijke verschuiving bij de patiënt van voornamelijk negatieve zelfgevoelens in het begin van de therapie (ruw geschat een derde positieve en twee derde negatieve gevoelens) naar voornamelijk positieve zelfgevoelens tegen het eind van de therapie. Ook merkte hij een verschuiving van ‘symptoms to self’ bij de patiënt, van symptoomgericht naar 'ik'-gericht. Daarnaast waren er verschuivingen van ‘environment to self’ en ‘others to self’, van op anderen en de omgeving gericht naar 'ik'-gericht. Rogers wijt deze verschuivingen deels aan het feit dat de therapeut zich richt op de persoon als het geheel dat de patiënt is, en niet op enkel het probleem die hij heeft. Daarnaast komt het door het feit dat de patiënt doorkrijgt dat de elementen die met hemzelf te maken hebben, die elementen zijn, die hij zeker onder controle heeft in een situatie.

 

Hoofdstuk 3:

Eigen werkwijze

3.1 De Praktijk

In het begin van mijn stage benaderde ik de patiënten in therapie als lijdende mensen. Ik leidde de therapie, ik bracht ze papier, ik gaf ze ideeën voor tekeningen, ik zorgde voor ze. Na verloop van tijd zag ik dat ik, door mijn zorgen, ze in een passieve rol duwde. Hoe meer ik zorgde, hoe passiever ze werden. Ik kreeg door dat ik medelijden met de patiënten had en ze weinig eigen kracht toeschreef. Ik had het gevoel dat ik ze met alles moest helpen, omdat ze door hun ziekte zelf niets meer konden.

Dat idee wat ik had, strookte op een gegeven moment niet meer met wat ik bij de patiënten zag. Ik zag dat ze soms mijn 'goede raad' in de wind sloegen en tot eigen ideeën kwamen. Ik zag dat ze soms tot eigen oplossingen kwamen in conflicten of problemen die ze tegenkwamen tijdens het schilderen. Ik kreeg meer oog voor zaken die juist wel goed gingen en ontdekte dat de patiënten veel talenten bezaten die in creatieve therapie naar buiten kwamen. Ik was ooggetuige van de kracht die al in de patiënten aanwezig was.

 

3.1.1 "Kracht en moed"

Voor mijn houding als mens en therapeut naar de patiënten toe had deze ontdekking nogal drastische gevolgen. Ik kreeg bewondering voor ze en benaderde ze ook op die manier. Wanneer ik positief reageerde op een talent, wat in een tekening naar voren was gekomen, en mijn waardering daarbij uitsprak, merkte ik de verbazing bij de patiënt. Hij was oprecht verbaasd dat ik iets positiefs bij hem zag. Wanneer hij reageerde door zijn eigen bijdrage negatief te benaderen, negeerde ik dit en benadrukte nogmaals de positieve kant.

Mw. W., een 50-jarige vrouw met de werkdiagnose depressiviteit, komt in een groepssessie binnen en ziet er neerslachtig uit.
Ze zondert zich af van mij en de groep door haar hoofd te laten hangen en niet te spreken. Ook neemt zij geen deel aan de opdracht. Zij blijft zo het hele uur zitten en reageert niet op reacties van mij of anderen.
In de nabespreking vraag ik iedereen om een reactie en kom dan ook bij haar.

Weer reageert zij niet. Om haar te laten weten dat zij hier niet voor niets is geweest, noem ik dat ik het bewonderenswaardig vind dat ze gekomen is en het hele uur aanwezig is geweest. Hierop tilt ze haar hoofd op, begint zacht te huilen en wijst me op het feit dat ze niets gedaan heeft. Ik vraag naar haar gevoel op dit moment. Ze voelt zich rot, antwoordt ze. "Dan is het helemaal noemenswaardig," reageer ik, "dat u gekomen bent en hier het hele uur aanwezig bent geweest. U heeft de kracht gehad om te komen en de moed om te blijven. U heeft dus ontzettend veel gedaan!" Verbaasd kijkt ze op en kijkt de groep rond, iedereen knikt en iemand geeft haar een klopje op de rug. Ze heeft zich geopend naar de groep en waardering voor haar aanwezigheid ontvangen. De tranen zijn inmiddels opgedroogd.

 

3.1.2 "De zon"

Soms kan dat wat de klachten van een patiënt veroorzaakt, juist iemand zijn kracht zijn. In de solution focused therapy en rationele rehabilitatie is geen plaats voor de klacht. Ik vind dat jammer, omdat de klachten vaak een functie hebben. Bij psychosen kan de functie bijvoorbeeld een innerlijke spanning zijn die naar buiten moet. Omdat dit met grote hevigheid gebeurt, sneeuwt de psychose vaak de talenten onder. Wanneer in creatieve therapie de klacht, de psychose een plek krijgt, wordt de functie daarvan niet genegeerd en kan de innerlijke spanning gestructureerd en constructief worden geuit.

Mw. X. is een vrouw van 21 en heeft als werkdiagnose manische-depressiviteit, manische episode en heeft net twee heftige psychosen achter de rug. In die psychosen speelde de zon voor haar een belangrijke rol. Ze is voor individuele therapie geïndiceerd.

Omdat er op de afdeling in observaties is gezien dat haar (rest-)psychose haar weerhoudt van structuur in haar dagelijks leven te brengen, begin ik met herhalende opdrachten met geometrische vormen om haar die structuur te bieden.
Al snel bemerk ik bij haar dat ze haar eigen structuur overal al in aanbrengt op een speelse manier. Steeds als ik het zie, vertel ik het haar en praten we erover.

Ook stel ik haar vragen over hoe ze die structuur in tekeningen aanbrengt. Ik geef haar steeds meer verantwoordelijkheid over de inkleding van de therapie, dit gaat goed en ik prijs haar hierom. De zon blijft voor haar een zich herhalend thema en ik begrijp dat ze die nodig heeft om er innerlijke spanning in uit te kunnen drukken. De zon vindt ze mooi en het maakt haar, dat ze met veel plezier schildert en tekent. Ze noemt dat ze er rustig van wordt en begint de zon ook buiten de therapie om te gebruiken om rustig van te worden. Hierdoor kan ze weer zelf structuur in haar leven brengen, de stressor, die waarschijnlijk ook de psychosen heeft veroorzaakt, kan ze kwijt in de zon. Tegen het eind van de therapie zie ik een vrouw die met plezier, zeer geconcentreerd en gestructureerd bezig is een groot schilderij van de zon te maken. Ze kan het zelf, ik kan achterover zitten.

 

3.1.3 "Dat ik dat kan zeg!"

Er zijn veel theorieën geschreven over dat beelden een spiegel zijn van de maker. In een beeld komen dus zijn gevoelens, zijn manier van handelen, zijn problemen of klachten, maar ook zijn manier van probleemoplossen (zijn talenten)naar voren. Vaak heeft een patiënt een klacht en ziet hij zijn unieke talent om daar mee om te kunnen gaan niet meer. In beelden kunnen die talenten juist wel naar voren komen en is de klacht in dat beeld soms niet eens aanwezig, tot grote verbazing van de patiënt!

Mw. Y. is een vrouw van 36 jaar en een van haar klachten is dat ze weinig assertief is en iedereen over haar eigen grenzen heen laat komen.

Ze komt naar creatieve therapie en laat zich in de groep inderdaad ondersneeuwen.
In doorschuiftekeningen past ze zich aan aan anderen en wanneer iemand over haar aandeel heen schildert, merkt ze voorzichtig op dat ze dat 'helemaal niet erg vindt'. Hoewel het lijkt dat mw. zich laat leiden door anderen, zijn er toch dingen waarin ze zich onderscheidt van de anderen.

Materiaalgebruik is daar een van. Ik noem dit en ze antwoordt, dat ze houtskool fijn materiaal vindt. Ze zegt dat ze niet kan tekenen, maar dat het met houtskool al snel "mooi" lijkt. Ik prijs haar in het vinden van zo'n goede oplossing voor het probleem dat ze niet kan tekenen.
In een sessie werken de patiënten samen aan een groepswerk. Het is de bedoeling dat ieder een stuk van het papier opeist en invult op eigen manier. Mw. Y. werkt met houtskool en bakent vrijwel meteen 'haar stuk' van het papier af met dikke vette strepen. Ze laat tijdens het werken, ondanks herhaalde pogingen van medegroepsgenoten, niemand toe op 'haar stuk'.

In de nabespreking kan mw. niets noemen wat ze anders dan anders vindt in haar aandeel in het groepswerk. Ik vraag hoe ze begonnen is. Ze noemt de vette strepen.
We kijken naar het werkstuk en de strepen zijn overheersend aanwezig. Dit valt haar ook op. Ze duikt wat in elkaar, glimlacht beschaamd. "Ik wou iets moois maken", verontschuldigt ze zich. Ik vraag aan degenen die naast haar zaten, wat hun reactie was op de houtskoolstrepen. Ze antwoorden, dat ze het als grens hadden gezien. Het leek hen duidelijk dat mw. Y. het niet had gewild dat daar iemand overheen zou schilderen. Iedereen kijkt mw. Y. nu aan, zij kijkt naar de strepen op het papier. Haar reactie: "Dat ik dat kan zeg!"

Houtskool gaf haar de mogelijkheid om trots op haar werk te kunnen zijn en dat door niemand te laten afpakken in het groepswerk. Houtskool activeerde bij haar haar innerlijke talenten om haar grenzen duidelijk te maken aan anderen.

 

3.1.4 "Dat deed ik door de viltstift!"

Mijn houding als therapeut telt mee in het resultaat van een therapie.

Er zijn twee aspecten van mijn houding als therapeut die ik als meest belangrijk zie. De eerste is dat ik me open opstel. Alles wat de patiënt inbrengt wordt gezien en gehoord. Alles is ook welkom. Of er wat mee gedaan wordt, beslissen we dan wel weer, het moet wel een doel dienen uiteindelijk.

Als tweede aspect geef ik de patiënt veel verantwoordelijkheid. Ik laat hiermee zien, dat ik hem vertrouw. Ik vertrouw erop dat hij dat aankan. Ik hoop hiermee, dat hij zichzelf ook weer gaat vertrouwen. Soms kan dat verantwoordelijkheid geven heel letterlijk gebeuren.

Dhr. Z. is een 47-jarige man, die na een serieuze TS opgenomen is op de PAAZ.

Door de TS zijn enkele pezen in zijn polsen beschadigd en kan hij zich moeilijk op anderen en de omgeving richten. Hij voelt zich nog steeds erg depressief en maakt moeilijk contact met anderen.

Dhr. Z. is al een aantal keren in groepscreatieve therapie geweest. Al die keren had hij moeite met het uitvoeren van de opdrachten en weet hij dit aan de peesbeschadiging. Het feit dat hij een zelfmoordpoging heeft gedaan verzweeg hij en hij vertelde iedereen dat hij een auto ongeluk had gehad. Ik liet dit zo, omdat hij het waarschijnlijk makkelijker vond om het zo te noemen. De waarheid was misschien moeilijk om onder ogen te komen. In de therapieën maakte dhr. nauwelijks contact met anderen en hij keek vaak dromerig voor zich uit. In de tekeningen die hij maakte, sloot dhr. aan bij anderen door materiaalgebruik en door details in zijn tekeningen aan te brengen. Dit noemde ik meerdere malen. Hier kreeg ik geen reactie op.

In een therapie sessie komt dhr. Z. met twee groepsgenoten het lokaal binnen.
Ze geven aan dat ze er niks voor voelen om met zijn drieën aan de grote
tafel te gaan zitten, ze willen liever aan de kleine tafel bij het raam. Daar is de zon trouwens ook. Ik vind het best. Ik voel de gemakkelijke sfeer en besluit me er buiten te houden. Ik geef ze een opdracht en zeg: "Ik laat jullie alleen, ik heb nog wat te doen. Het lukt jullie zonder mij ook wel!"

Ik ga aan de grote tafel zitten, met mijn rug naar ze toe en pak iets willekeurigs uit de kast om mezelf bezig te houden. Achter me klinkt gestommel en gemompel. Ik doe niks. Langzaam aan beginnen ze achter mij te overleggen.
Ook dhr. Z. doet hieraan mee. Na een poosje zijn ze lekker aan het werk, te horen aan het krassende geluid van viltstift en potloden en heen-en-weergepraat. Hier en daar hoor ik een mop verteld worden en er wordt goed gelachen. Opeens hoor ik achter me dhr. Z.: "Weten jullie wel dat ik nu met jullie mee kan doen, omdat ik dat in de tekeningen ook al kon? Dat deed ik door de viltstift!"

Ik kon mijn oren toen niet geloven. Hoewel hij waarschijnlijk niet goed begreep hoe het nou precies zat, heeft hij toch de link gelegd tussen iets wat hij al kon in zijn werk naar zijn dagelijks leven. Ik denk dat hij toch aanvoelde dat, wanneer hij in tekeningen contact maakt op zijn eigen manier, dat wel goed gaat. Misschien was dit, en het feit dat ik hem en de anderen duidelijk vertrouwde dat het wel goed kwam, een steuntje in zijn rug om het ook eens in het 'echt' te proberen. Ik heb het hier niet uitvoerig met hem over gehad. Het gaat er mijns inziens ook niet altijd om hoe en waardoor iets totstandkomt, maar dàt het gebeurt.

 

3.2 Theorie en praktijk

In hoofdstuk twee zijn een aantal theorieën aan bod gekomen, waarover ik schreef, dat ze bij mijn werkwijze aansluiten. Hieronder zal ik theorie en praktijk bij elkaar brengen.

Net als in SFT en RR kijk ik heel bewust naar de mogelijkheden die de patiënt heeft. Om met Appelo te spreken; ik kijk naar de parel. Die parel vind ik terug in het beeld wat de patiënt maakt, in het materiaal wat hij gebruikt (zoals het houtskool bij mw. Y.), maar ook in zijn manier waarop hij deelneemt aan een groepsinteractie. In SFT kijkt de therapeut ook naar de interactie of het gedrag in die interactie. In groepstherapieën vraag ik medegroepsgenoten hoe zij een bepaalde situatie met de betrokken patiënt hebben ervaren, zoals bij mw. Y. Zo krijgen we allemaal een zo goed mogelijk beeld van de situatie. Met daarbij ook nog de tekening hebben we een volledig situatieschets. Mijn ervaring leert me, dat groepsgenoten (en ik ook) een andere kijk op situaties hebben dan de patiënt zelf, het is goed dat deze dan naar boven komt, want het leert de patiënt dat er ook anders naar een situatie gekeken kan worden. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van SFT, dat een situatie op verschillende manieren te interpreteren valt.

Hoewel SFT en RR beide de klacht naar de achtergrond schuiven, ben ik het hiermee niet helemaal eens. Soms hebben klachten een duidelijke functie (zoals bij mw. X.) en ben ik van mening dat je de oorzaak van die klachten sterk onderdrukt door ze naar de achtergrond te schuiven. Ik ga niet diep op de klachten in, maar ken ze wel door dossiers over de patiënt te lezen en erna te vragen bij collega's. Die informatie vul ik steeds aan met observaties die ik opdoe, of wat de patiënt mij er zelf over vertelt. Ik ga dus over het algemeen niet op klachten in, behalve wanneer ik merk dat de talenten van de patiënt beter naar voren komen, wanneer de klacht wel de therapie binnenkomt en een plek krijgt in het beeld. Ik denk dat dit hoort bij het accepteren van de klacht en hem daardoor naast je neer kunnen leggen en verdergaan met het ontplooien van talenten die juist daardoor beter tot hun recht komen. Waarschijnlijk bedoelt SFT dit ook met het naar achteren schuiven van de klacht, maar in sommige gevallen moet de klacht dus wel eerst geconcretiseerd worden, een gezicht krijgen, alvorens de patiënt kan ontdekken hoe ermee om te gaan.

De houding van de therapeut is in alle genoemde theorieën onder hoofdstuk twee gericht op de patiënt. De client-centered therapy benadrukt hierbij dat de therapeut naar de patiënt als geheel kijkt, en niet alleen naar zijn klacht. Ik ben van mening dat het nodig is om naar de patiënt als geheel te kijken om zijn talenten te kunnen ontdekken. In de therapie vraag ik ook aan de patiënt zelf om eens verder te kijken dan de symptomen die bij zijn klacht horen. Zoals ik in de inleiding van dit hoofdstuk al schreef, was mijn houding in het begin symptoomgericht. Hierdoor zag ik de kracht van de patiënt over het hoofd. Pas later keek ik naar de persoon als geheel en ontdekte ik veel meer dan alleen symptomen - dus ontdekte ik ook zijn talenten. De bewondering, de interesse en het enthousiasme wat ik in mijn houding als therapeut toon, zijn echt en invoelbaar, het zijn persoonlijke reacties, die ik in de therapie kan inzetten om tot bepaalde doelen te komen.

Net als in de client-centered therapy, sluit ik me nauw aan bij de patiënt. De opdrachten die ik geef sluiten aan bij de doelstelling van de patiënt en ik hou in de opdrachten rekening met bepaalde moeilijkheden waar de patiënt mee worstelt. Niks moet in de therapie. Wanneer een patiënt beslist om niet over een klacht te willen praten, respecteer ik hem in zijn keuze en prijs hem over het stellen van zijn grenzen. Hierin komt een uitgangspunt van RR naar voren: daar waar niet aan gewerkt wil worden, komt niet op de "stressor-lijst" (zie hoofdstuk twee) en wordt dus op verzoek van de patiënt buiten de therapie gehouden. De patiënt is er blijkbaar nog niet aan toe om over die klacht te praten of eraan te werken.

Omdat ik me nauw wil aansluiten bij de patiënt check ik steeds bij hem of ik dat nog wel doe. Wanneer ik iets opmerk, maak ik duidelijk dat het mijn interpretaties zijn en vraag ik of die kloppen. Ik doe die interpretaties om de patiënt te helpen bepaalde dingen beter of anders te zien of formuleren. Wanneer ik er volgens hem naast zit, accepteer ik dat en ga daarover niet in discussie. Bijna elke zichtbare interventie die ik maak, leg ik uit aan de patiënt. Wanneer ik met hem samenwerk, of juist niet, waarom ik opmerkingen maak, of juist niet. Ik maak de patiënt deelgenoot en laat hem vaak beslissen of meedenken. Want wie kan het nou beter weten dan de patiënt zelf? De patiënt is zijn eigen expert en ik kan een hoop over hem leren van hemzelf.

 

Hoofdstuk 4:

Conclusie

Aan de hand van voorgaand literatuuronderzoek en eigen praktijkervaring kom ik tot een aantal conclusies.

Ten eerste blijkt zowel uit de theorie als uit de praktijk dat patiënten erg gericht zijn op de negatieve gevoelens en ervaringen die hun ziekte met zich meebrengt. Tegen die negatieve zaken vechten vereist kracht en energie die de meeste patiënten moeilijk op kunnen brengen.

De kijk op dingen die nog wel goed gaan, zoals talenten en positieve eigenschappen, zijn ze kwijt. Nu blijkt dat wanneer de therapeut zich juist richt op die talenten en positieve eigenschappen, de patiënt verbaasd reageert. De therapeut geeft de patiënt hiermee een andere kijk op zijn situatie, een positievere kijk, en laat zien dat er nog heel wat mogelijk is. Hij geeft hem hoop op een 'goede afloop', wat in sommige theorieën als een grote kans op therapiesucces wordt ervaren. De therapeut werkt dan niet symptoomgericht, maar oplossingsgericht.

Uitgaande van mijn stelling zou je inderdaad kunnen zeggen dat niet symptoomgericht werken leidt tot het ontdekken van eigen talenten.

Het beeldende medium in creatieve therapie heeft medium specifieke eigenschappen die de patiënt kunnen helpen zijn talenten te ontdekken.

De manier waarop hij bijvoorbeeld oplossingen in materialen zoekt voor problemen die zich in de therapie voordoen, kunnen de patiënt duidelijk maken dat hij wel degelijk controle over bepaalde situaties heeft. Dit talent wat hij heeft, kan hem trots op zichzelf maken en hem daardoor kracht geven om zijn talent ook eens in andere probleemsituaties uit te proberen.

  

Hoofdstuk 5:

Samenvatting

In het kader van mijn afstuderen aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (de HAN), richting beeldende creatieve therapie, heb ik dit onderzoek verricht.

Het onderzoek gaat over het positief benadrukken van talenten in beeldende therapie bij volwassen psychiatrische patiënten. Uit mijn mens-, kunst-, en creatieve therapie visie is een stelling ontstaan en in dit onderzoek onderbouw ik die stelling aan de hand van theorie en mijn eigen praktijkervaring.

Ik laat verschillende theorieën en daaruit voortkomende methodieken aan bod komen, die aansluiten bij mijn eigen werkwijze. In alle theorieën en is het uitgangspunt in de therapie de patiënt. De werkwijze in de methodieken is het focussen op positieve eigenschappen en gebeurtenissen van de patiënt. De klacht wordt naar de achtergrond geschoven. Het idee hierachter, is dat door het benadrukken van deze positieve eigenschappen, de patiënt leert ze in te zetten tijdens probleemsituaties.

In het onderzoek leg ik mijn eigen werkwijze uit aan de hand van vier casussen, die elk een relevant onderdeel van die werkwijze, en gevolgen voor de patiënt daarvan, vertegenwoordigen.

Vervolgens koppel ik mijn werkwijze aan de al eerder genoemde theorieën en vergelijk ze. Grootste overeenkomst is het oplossingsgericht benaderen van de patiënt door de therapeut, en het benadrukken van positieve eigenschappen (door mij talenten genoemd) die het voor de patiënt mogelijk maken om met probleemsituaties om te gaan. Grootste verschil is dat ik, in tegenstelling tot de andere methodieken, soms wel de klacht van de patiënt in de therapie laat komen, zodat de klacht meer 'gezicht' krijgt en het duidelijker wordt hoe ermee om te gaan.

 

© Monique Samsen - juni 2000 - scriptie in het kader van haar afstuderen

Î Í

 

Literatuurlijst

 

[1] Appelo, M.T. (1999). Van draaglast naar draagkracht.

[2] Appelo, M.T. (1999). Rationele Rehabilitatie; een pilot-studie. Gedragstherapie, 32 (1): 57 - 67.

[3] Bergsma, A. & Petersen, K. van (1998). Psychologie van A tot Z. 104.

[4] Cohn, R.C. (1979). Van psychoanalyse naar themagecentreerde interactie; basisteksten. 94 - 95.

[5] Donkers, G. (1985). Veranderkundige modellen; een oriëntatie in het vak agologie. 124 -129.

[6] Rogers, C.R. (1951). Client-Centered Therapy. 131 - 136.

[7] Shazer, S. de (1986). Brief therapy; Focused solution development. Family Process, 25 (2): 207 - 21.

[8] Simhoffer, H. (1995). Ik heb nou allemaal dingen in mijn hoofd; een antropologie van kunst en creatieve therapie.

[9] Tijdschrift voor Kreatieve Therapie, 1999/04.

[10] Vandereyken, W. e.a. (1994). Handboek Psychopathologie; deel I. 124 - 137.

[11] Vandereyken, W. e.a. (1991). Handboek Psychopathologie; deel II. 124.

 

Internet:

[12] http://www.nikto.nl/